“Gore smeerboel. Stinkende troep. Zuipen en bordeleren, dat is het enige wat ze kunnen die kerels. En zich kapot vreten. Tot ze het weer uitkotsen. Verprutste kinkels! Schoeliebrokken! En wie mag de boel weer opruimen? Therese met de tieten.”

In groep zeven wist ik precies wat ik later wilde worden: acteur. Niet actrice, zoals de meester me meteen verbeterde, maar acteur. In mijn wereld waren actrices bloedmooie vrouwen die met hun wimpers knipperden, lang golvend haar hadden en zwepende galajurken droegen, en zelf leek ik als twee druppels water op het langste jongetje van de Crazy Frog Bros. Vandaar.

Op vrijdagmiddagen zette ik toneelstukjes op waarbij ik klasgenootjes tot in de perfectie regisseerde. Het plot jatte ik schaamteloos uit een kinderboek, film of televisieserie, en de hoofdrol speelde ik voor het gemak meestal zelf. De meester vond het allemaal wel best. De klas werd vermaakt en zelf hoefde hij een minuut of twintig helemaal niets te doen. Thuis draaide ik de videobanden van Home Alone en Richie Rich grijs terwijl ik voor de spiegel eindeloos alle gezichtsuitdrukkingen van Macaulay Culkin imiteerde. Zo’n carrière als hij had, dat leek me wel wat.

Ik was dan ook zielsgelukkig toen ik ontdekte dat mijn middelbare school een uitgebreid theaterprogramma had. De bovenbouw speelde dat jaar Molière, dat zegt al genoeg. En ook voor de onderbouw hadden ze in mijn brugklasjaar een speciale voorstelling gepland: Het bijzondere leven van Hilletje Jans, geschreven door Ad de Bont met liedjes van Willem Wilmink. Ik stond vooraan om me in te schrijven bij het prikbord in de hal.

Het hield me niet eens tegen dat de auditie in de kerstvakantie was. Urenlang zat ik samen met een paar van de meisjes uit mijn klas bij wie ik altijd zwaan-kleef-aan-de te wachten tot we aan de beurt waren. Telkens opnieuw repeteerden we de stukjes die we van tevoren hadden meegekregen. Al had ik nog steeds geen flauw idee wat “bordééleren” nou eigenlijk was toen ik enthousiast de gymzaal instapte.

“Oké,” zeiden de gymleraar en de muzieklerares die de casting deden. “Kun je dit ook huppelend?”

Nee dus, bleek toen ik fanatiek tegen de muur huppelde. En dat was al de tweede misser die ik maakte. Daarvoor had ik namelijk mijn trui even rechtgetrokken. Grote fout, merkte ik toen de andere auditanten in de zaal begonnen te gniffelen. De muzieklerares maakte daar ter plekke haar eigen show van:

“Kijk, jongens,” galmde ze in een overdreven komische toneelstem, terwijl ze over mijn schouders wreef, “dít is nou wat mensen doen wanneer ze zenuwachtig zijn. Dan gaan ze even netjes staan en trekken ze al hun kleren recht zodat ze er keurig uitzien. Niet doen hoor! Loslaten! Laat los die spanning! Ontspaaaaan!”

De zaal lag dubbel en ik kon wel door de vloer zakken. En terwijl ik ietsje later toekeek hoe twee meiden uit de tweede onder luid geklap vrolijk linkerbeen-rechterbeen-draai-maar-om-een-ander-heen-den, realiseerde ik me ineens dat het me in de theaterwereld aan iets essentieels ontbrak: talent.

Want dat had niemand me ooit verteld. Mijn ouders, hun vrienden, ooms, tantes, opa, oma, meesters en juffen. De balletlerares, de kinderkoorjuf, de mensen van de scouting, stuk voor stuk hadden ze me de hemel in geprezen, gelachen en geklapt. Alles om mijn schattige tere kinderzieltje maar niet te verbrijzelen. Een schoolvoorbeeld van de applausgeneratie.

De enige die ooit enigszins waagde te zeggen dat ik misschien wat meer mijn best moest doen, was mijn turninstructrice. Acht was ik toen. Pisnijdig stormde ik de les uit. Nooit meer teruggegaan. Maar daar zat ik toch alleen maar op omdat ik het pakje zo mooi vond. En dat mocht ik gewoon houden. Was al betaald.

“Je hoeft niet te kijken, hoor,” zei een klasgenote toen de uitslag na de kerstvakantie op het prikbord verscheen. “We zijn allemaal door. Behalve jij.” Ongeïnteresseerd hapte ze in haar boterham.

Mijn tere kinderzieltje brak in duizend stukjes. Therese met de tieten ging naar David uit de tweede.

Maandenlang hoorde ik wekelijks aan hoe de repetities verliepen. Hoe Mieke vond dat David de hele tijd wel erg dicht tegen haar aanstond tijdens het zingen rond de grote piano. Dat Marjan twijfelde of ze haar bril wel op moest houden tijdens de uitvoering, want, zo zei ze, die bestonden nog niet in de tijd waarin het stuk zich afspeelde. En eindeloos gegiechel over Sjaak, die op Jeremy Jackson leek en aan het decor werkte.

Maar hoe waardeloos mijn auditie wel niet geweest moet zijn, realiseerde ik me pas echt toen in mei het doek opging en ik mijn klasgenotes met een wasbordje aan de rand van het podium zag staan. Als figuranten. Niet eens genoeg talent om voor levend rekwisiet door te gaan.

“Misschien waren ze je gewoon vergeten,” zegt mijn vriend.

Ik kijk op van mijn derde glas wijn. Het is ik-ben-zielig-avond. De Ben&Jerry’s staat op tafel en Céline Dion jammert door de kamer. Daarop wilde vroeger niemand met me schuifelen en daarom is het nu extra verdrietig.

Waar ik m’n telefoon heb neergelegd weet ik drie minuten later al niet meer, maar de monoloog van Therese met de tieten lepel ik twintig jaar later nog steeds moeiteloos op.

“Denk er maar eens over na. Zouden ze verder echt iedereen mee laten doen, en jou expres niet? Misschien hebben ze je over het hoofd gezien.”

Klinkt ergens best logisch. Al weet ik niet zeker of dit nou echt zo opbeurend is als mijn vriend bedoelt. Talentloos óf een muurbloempje dat geen blijvende indruk achterlaat. Of allebei dan waarschijnlijk. Ik schenk glas nummer vier in. Het is wat.

Misschien had ik die middag geen Hjørdis moeten bingewatchen.

Mijn vriend kruipt bij me onder m’n roze dekentje.

“Je weet hè,” zegt hij, “als ik bij je op school gezeten had, dan had ik op elk feest met je geschuifeld.”

Graag was ik hier geëindigd met dat ik na het Therese-incident nooit meer naar een auditie ben gegaan. Maar dat is niet waar. Daarna heb ik namelijk nog een tijdje een musicalcarrière geambieerd. Want ook dat had niemand me ooit verteld; dat ik niet kon zingen. Of dansen. Met een beetje geluk zijn alle auditiebanden uit die periode ondertussen van de aardbodem verdwenen.

Ach. Inmiddels is er iemand die me altijd de hoofdrol geeft. En dat is genoeg.

Lees ook:

Brabant

Elkaar verstaan