“Ik wil jou even iets zeggen. Dit is al de tweede keer dat ik je hier zie met die hond, en hier spelen ook kinderen.”

Het is vrijdag, begin van de middag, en ik loop nog snel even een blokje om met het hondje van een van mijn thuiszorgcliënten voordat ik naar mijn volgende dienst moet. Dat is een maandje of acht geleden zo ontstaan. Voor de cliënt gaat dat allemaal wat minder soepel en voor mij is het een kleine moeite. Een beetje extra service.

“Ik heb zakjes bij me hoor,” zeg ik tegen de vrouw die zonder jas haar huis is uitgestormd om me de les te kunnen lezen. Ter verduidelijking hou ik ze omhoog.

Ik heb altijd zakjes bij me wanneer ik een hond uitlaat. Dat lijkt me niet meer dan normaal. Ik ben zelfs zo netjes dat ik ook in losloopgebieden de boel nog opruim. Andere hondeneigenaren verklaren me regelmatig voor gek als ze me zien scheppen.

“Het is ranzig! Snap je dat dan niet?!” roept zij. “Hierachter op de dijk is een uitlaatgebied en dit is een kinderspeelplaats. Er staat hier een groot bord dat aangeeft dat je geen honden uit mag laten.”

Ik kijk om me heen. Vlakbij me staan inderdaad twee armetierige doeltjes van amper een meter hoog die inmiddels diep in de blubber verzonken zijn. Ook het hondje is tot aan z’n buik drijfnat. Naar mijn mening is de hele ‘kinderspeelplaats’ op dit moment nogal “ranzig”, maar oké, dat is natuurlijk niet aan mij. Een verbodsbord kan ik zo snel echter niet vinden, maar mevrouw zal vast gelijk hebben.

“Sorry, dat bord heb ik nooit gezien,” zeg ik. “Maar dan zal het niet meer gebeuren. Mijn excuses.”

Maar dan begint de vrouw ineens te krijsen: “Als ik je het nog een keer zie doen dan smijt ik het achter je aan!”

Een fractie van een seconde twijfel ik of ik mevrouw moet vragen hoe ze dat precies wil gaan doen: wil ze dan het zakje met inhoud en al uit mijn handen rukken? Of is ze van plan om de boel dan al voordat ik het heb kunnen opruimen van het grasveld af te grissen? En hoe dat dan? Met haar blote handen? Of bewaart ze misschien speciaal voor de gelegenheid een heel klein poepscheppertje in haar achterzak?

Ik besluit dat het waarschijnlijk voor iedereen beter is om dat toch maar niet te doen. Bovendien moet ik over een paar minuten op de fiets stappen wil ik nog op tijd bij mijn volgende adres zijn.

“Ja joh,” mompel ik bij gebrek aan een beter weerwoord. Ik ruim de boel verder op terwijl mevrouw weer naar binnen loopt. Vanachter het keukenraam blijft ze me scherp in de gaten houden wanneer ik met het hondje verderga. Een minuut of twee later passeer ik inderdaad een donkergroen uitgeslagen verkeersbord met een rode rand en een hond in het midden. Het staat tussen de struiken en achter een bankje. Ik had het echt nog nooit eerder gezien.

Je zult nu vast denken dat ik me in de Oosterparkwijk bevind. Of in de Wijert. Of in een van die ‘mindere’ delen van Beijum of Selwerd waar buren elkaar regelmatig voor rotte vis uitmaken en met messen lopen te zwaaien. Maar niets is minder waar: ik sta in Ruischerbrug, in een nette gezinsbuurt waar de nieuwbouwhuizen gemiddeld drie ton kosten. En de vrouw die net tegen stond te krijsen is een keurig uitziende blonde bakfietsmoeder van eind dertig, begin veertig, in een gestreept McGregortruitje.

Typisch. Ze zeggen al een paar jaar dat de samenleving aan het verharden is. Maar ‘verharding’ is naar mijn mening vaak nogal een flinke understatement; het lijkt wel of iedereen steeds agressiever begint te worden. Waar dat eerst nog iets was waarvan gezegd werd dat dat louter bij de Tokkies in de probleemwijken hoorde vliegen tegenwoordig zelfs de ergste schoneschijnmensen je bij het minste of geringste naar de strot.

Er lijkt gewoon iets in de lucht te hangen. En ik snap ook prima waarom. Een peroxideblonde oranje clown gooit op dit moment vanuit de VS de hele wereld overhoop, het is een kwestie van wachten tot de eerste grote aanslag in Nederland plaats gaat vinden, hier in de omgeving worden huizen uiteengescheurd door aardbevingen, en de afgelopen maanden heeft een tweede peroxideblonde schreeuwlelijk fanatiek haat en angst lopen zaaien. En kennelijk kunnen we daardoor niet meer normaal met elkaar communiceren. Daar hebben inmiddels duizenden experts zich over uitgelaten. Mijn Facebookfeed en Blendle staan er dagelijks vol mee: we luisteren niet meer en schreeuwen langs elkaar heen.

Gek eigenlijk, want communicatie is nou juist datgene waarbij je altijd een ander nodig hebt.

Een paar dagen later zit ik in de wachtruimte van de Menzis om de zorgfacturen van een andere thuiszorgcliënt te laten declareren. De cliënt vertrouwt de post niet, maar is zelf wat minder mobiel en voor mij is het maar een klein stukje om. Opnieuw een kleine moeite en een beetje extra service.

Vanuit mijn ooghoek zie ik een vrouw met een hoofddoek mijn kant oplopen. Ze lijkt iets te zoeken. Druk gebarend mompelt ze iets in een taal die ik niet versta. Dan zegt ze ineens iets dat ik wel begrijp: “Toilet?” Ik kijk om me heen en zie dat er vlak achter me een deur is waar groot “WC” op staat aangegeven. Ik wijs erheen. De vrouw kijkt er verward naar. Het is duidelijk een woord dat ze nog niet kent. Ik knik vriendelijk en wijs opnieuw. De vrouw loopt aarzelend naar de deur en trekt aan de hendel. Maar dat helpt niet, want er staat “duwen” op de deur. Lachend haalt ze haar schouders op.

“Duwen,” zeg ik op vriendelijke toon, terwijl ik nog eens wijs. Dan probeer ik het in het Engels: “Push!” Met mijn beide handen maak ik een duwgebaar. De vrouw lacht dankbaar, maar begrijpt er duidelijk nog steeds niets van.

“Dan moet je maar Nederlands leren!” snerpt de oudere dame die rechts van me zit ineens. Ze zegt het expres net iets te hard. De platinablonde vrouw in panterprint aan haar andere kant knikt instemmend. Samen werpen ze een vuile blik richting de wc-deur.

Ik voel m’n maag samentrekken en kijk weer naar de vrouw met de hoofddoek, die vriendelijk lachend en schouderophalend verder loopt. Plaatsvervangende schaamte borrelt in me op. Dat twee mensen zomaar uit het niets zo haatdragend kunnen doen tegen iemand die ze verder helemaal niet kennen, puur omdat ze er anders uitziet en zich de taal nog niet eigen is. Even ben ik blij dat ze ook hier totaal niets van begrepen heeft.

De monitor geeft aan dat ik aan de beurt ben. Een servicemedewerker komt achter z’n balie vandaan om me op te halen. Ik sta op het punt om een ‘wacht even’ signaal te geven en de vrouw terug te halen, maar dan zie ik dat een andere medewerkster ook is opgestaan en haar richting opsnelt. Vriendelijk leidt ze de vrouw naar de deur en laat ze zien hoe deze opengaat. De vrouw met de hoofddoek spreekt onverstaanbare uitingen van dank en geeft de medewerkster een liefdevol schouderklopje. Dan verdwijnt ze in het toilet.

En terwijl de twee taarten naast me iets mompelen waar ik ineens ook vrij weinig van kan verstaan,
voel ik de knoop in m’n maag oplossen wanneer de ogen van de Menzismedewerkster kort de mijne ontmoeten. Soms heb je helemaal geen woorden nodig om elkaar perfect te begrijpen.

Glimlachend moet ik ineens aan de slogan van het bedrijf denken:

Mens, wat ben je mooi.